Where the world comes to study the Bible

Waar brandt het? Blijf en praat

Related Media

translated by Michael Luyckx.

De ambtenaren van de National Park Service in de Verenigde Staten verwelkomen jaarlijks 250 miljoen bezoekers in de parken. De meesten onder hen zijn dagjestoeristen die een kijkje komen nemen of wat komen joggen. In 1983 was de gemiddelde tijd die een bezoeker in een van de achtenveertig parken doorbracht, vier en een half uur. Voor het Isle Royale park bedroeg dit vier dagen, hoogstwaarschijnlijk omwille van het feit dat dit park zeer afgelegen is. Maar voor Yosemite, Sequoia, Yellowstone of Glacier national park slechts vier en een half uur? Als je zo snel in deze plaatsen binnen en weer buiten stormt, heb je echt geen tijd om eens stil te staan, te kijken of te luisteren, of de geuren van de bergen, rivieren of hooglanden op te snuiven.

Wat echter nog erger is, is dat onze gesprekken met God het vaak niet beter doen. We stormen binnen en weer buiten, met een McDonald’s drive-in door onze spiritualiteit, en missen Gods verhevenheid in onze haast om nergens heen te gaan.

Dit is gedeeltelijk te wijden aan ons gebrekkig begrip over de schoonheid en goedheid van God. In een cultuur die onverzadigbaar gedreven is door oppervlakkigheid, is onze kennis over God schaars, betwistbaar en dreigt bidden uitgeroeid te worden. Net daarom en vermits Jezus met dezelfde problemen geconfronteerd werd, besteedde Christus in zijn lessen over het gebed nadrukkelijke aandacht aan de goedheid van God.

Onze gebedstijden lijken vaak meer op een pitstop tijdens een wedstrijd op Franchorchamps dan op een doelbewuste en aangename wandeling door een mooi park op een lentedag. Maar dit is niet wat Christus ons leerde. Ons Voorbeeld was anders. Hij was onophoudelijk in gebed verzonken en dit voor lange periodes. Zulks was Zijn toewijding aan gebed en zijn relatie met Onze Vader dat de schrijver van Hebreeërs, hoogstwaarschijnlijk gebaseerd op vroege kerkelijke gebruiken betreffende Christus’ aardse dienstbetoon zoals in Gethsemane, tot het volgende aangespoord werd: “Tijdens zijn aardse leven heeft hij God, die hem van de dood kon redden, gebeden en gesmeekt onder luid geroep en geween. En hij werd verhoord om zijn nederige overgave aan God.” (Heb. 5:7)

Als we een kort blik werpen op Hebreeërs 5:7, dan zien we dat de nadruk van deze passage vooral op de menselijkheid van Christus ligt. Dat hij werkelijk mens was, net als wij maar volledige zonder zonde, en dat Hij gemeenschap met de Vader zocht. Hij bad onophoudelijk en met geconcentreerde ernst, zich bewust van God en met oprechte eerlijkheid. De term “gesmeekt” is meer nadrukkelijk dan “gevraagd” en wordt door sommige Nieuw Testamentele geletterden geassocieerd met het oude gebruik om een olijftak voor te houden als teken van oproep.1. Bovendien wijst de terminologie “onder luid geroep en geween” op angst, strijd en een diep gevoel van nederige onderdanigheid aan Gods wil. Rabbijnse tradities suggereren dat er “drie types gebed zijn, elk meer verheven dan zijn voorganger: gebed, geroep en tranen. Gebed gebeurt in stilte, geroep luidop, maar tranen overtreffen alles (“Er is geen deur door dewelke tranen niet doorgaan”)”2. Uiteindelijk, alhoewel Gethsemane een duidelijk voorbeeld is van de idee uit Hebreeërs 5:7, zegt de schrijver dat dit type gebed karakteristiek is voor de periode van Jezus’ leven. Onze Heer bad ernstig en onophoudelijk, uit diepe liefde voor Zijn Vader.

En waar staan wij in dit opzicht? Bidden wij onophoudelijk? Ernstig? Met grote kracht? Of, bidden we slechts af en toe, met voorbijgaande interesse en zonder overtuiging? Als dit het geval mocht zijn, mogen we ons niet op onszelf keren met een “arme ik” mentaliteit. Dit helpt niets ter zake. In plaats daarvan zouden we God moeten vragen ons te leren hoe we moeten bidden en verwachten dat we veel kunnen leren. Dit is een van de problemen in onze kerkgemeenschappen. We geloven niet echt dat gebed aangeleerd kan worden door oefening, pogingen en fouten. Als bidden geen aangeleerd gedrag zou zijn, dan had Christus het zijn leerlingen nooit moeten leren en verkeerd bidden nooit moeten bekritiseren (Mat. 6:5-15). Alhoewel het correct is dat kinderen kunnen, en zouden moeten, bidden, is het ook onterecht dat volwassenen kinderlijk moeten blijven in hun gebed. Er is namelijk een groot verschil tussen eenvoudig en simplistisch (en naïef). Het laatste is geen deugd.

Een laatste voorbeeld over de continuïteit van Jezus’ gebedsleven. We vinden het verhaal in Johannes 11 terug. Martha en Maria vertellen Jezus dat hun broeder, Lazarus – die Jezus liefhad – ziek was. Lazarus was echter in Bethanië in Judea en Jezus was waarschijnlijk aan de andere kant van de Jordaan in het Oosten toen het nieuws hem bereikte. Maar in plaats van dadelijk te vertrekken om zijn vriend bij te staan, bleef hij nog twee dagen waar hij was (11:1-6). Pas na deze periode vertrok hij om zijn vriend te vervoegen.

Wanneer Jezus dichter bij Bethanië komt, ontmoet hij eerst Martha en dan Maria. Hij troost hen beide, vermits Lazarus vier dagen eerder overleden en begraven was. Jezus zelf was diep bedroefd en huilde (11:35). Daarna ging hij naar Lazarus’ graftombe en vroeg om de steen die de ingang afsloot te verwijderen. Eens de steen weggerold was, richtte Jezus de ogen ten hemel en sprak een verbazingwekkend gebed uit. Het stuk dat mij echt interesseert is:

“Vader, ik dank U dat U mij hebt verhoord.” (Joh. 11:41)

De uiteindelijke kwestie die ik wil aanbrengen is dat nergens in de tekst vermeld staat dat Jezus aan het bidden was. Wanneer dan luisterde God naar hem? Als dit een algemene verwijzing naar Christus’ gebedsleven zou zijn, zouden we het woord “altijd” verwachten in de zin van: “Ik weet dat U mij altijd verhoort”3 Maar dit is niet het geval. De context suggereert integendeel dat van het ogenblik dat hij vernam over Lazarus’ situatie, hij voor hem en voor alle betrokkenen (leerlingen en vrienden) bad.4 We kunnen logischerwijs afleiden dat Zijn gebeden over deze situatie onophoudelijk en waarschijnlijk in stilte plaatsvonden terwijl Hij van de andere zijde van de Jordaan naar Bethanië reisde. Het feit dat Hij wist wanneer Lazarus stierf (11:11)5 , en dit zonder dat iemand het Hem vertelde, maakt deze conclusie alleen maar steviger. Tenslotte was Zijn vertrouwen in Gods wil om Lazarus uit de doden op te wekken, waarschijnlijk verstevigd door gebed en gemeenschap met God (11:14-15, 23, 40).

Ongeacht, de kwestie dat Christus onophoudelijk bad is onomstotelijk en aldus een uitstekend voorbeeld dat Hij niet toegaf aan een “drive-in” mentaliteit. Hij was niet gehaast om aan Gods bergen, rivieren en hooglanden voorbij te razen.


1 Donald Guthrie, Hebrews, Tyndale New Testament Commentaries, ed. Leon Morris, vol. 15 (Grand Rapids: Eerdmans, 1983), 129.

2 Leon Morris, “Hebrews,” in The Expositor’s Bible Commentary, ed. Frank E. Gaebelein, vol. 12 (Grand Rapids: Zondervan, 1981), 49.

3 Het feit dat “altijd” in de volgende zin verschijnt doet hier niet ter zake. In dit vers wordt het woord in tegenwoordige tijd gebruikt (Ik weet), terwijl in de vorige zin de voltooid verleden tijd gebruikt wordt.

4 Het hele gebeuren is opgevat om het geloof van de leerlingen (11:14-15) en Maria en Martha (11:17-37) te versterken.

5 Op dit ogenblik heeft men Hem alleen van de ziekte op de hoogte gebracht. Niemand vermeldde Lazarus’ overlijden.

Related Topics: Devotionals