Where the world comes to study the Bible

De Brief aan de Kolossenzen

Related Media

Translated by Christina.

Schrijverschap

De Kolossenze brief is duidelijk van de hand van Paulus. In 1:1 zegt de tekst, “Paulus, door de wil van God een apostel van Christus Jezus…” De schrijver verwijst weer naar zichzelf in 1:23 als “Paulus” een “Dienaar van het Woord.” En tenslotte, wordt in 4:18 beweerd dat hij geschreven is door Paulus. Dat de apostel daadwerkelijk de schrijver was werd in de geschiedenis van de kerk eenduidig geheim gehouden tot de negentiende en twintigste eeuwen.

In de negentiende en twintigste eeuwen werd de eenheid van gevoelens rond het schrijverschap van Paulus in twijfel getrokken op verschillende gronden, de eerste is taal en stijl. Er wordt getwist dat er veel Hapax legomena1 worden gebruikt in Kolossenzen en dat er ongebruikelijke groepen van synoniemen (1:9 ; 8:16) zijn die niet gebruikelijk zijn voor Paulus.2 Maar deze oordelen zijn te subjectief om van enige waarde te zijn tegen het traditionele beeld, omdat het gebruik van andere termen en stijl ook kan samenhangen met het feit dat er andere omstandigheden waren om de brief naar de Kolossenzen te schrijven, b.v. een beginnende vorm van gnosticisme. Verder, de onbetwiste brieven kunnen moeilijk een beeld vormen van de complete actieve woordenschat van Paulus, aangaande deze onderwerpen. We mogen ook opmerken dat er overeenkomsten zijn tussen Kolossenzen en andere niet toegewezen brieven van Paulus, in woordenschat en stijl, die verder niet terugkomen in het Nieuwe Testament.3

Ten tweede, de historische bezwaren gevoerd door F.C. Baur en de Tübingen School (en vele anderen) gebruiken het argument dat Kolossenzen niet door de apostel Paulus geschreven kan zijn omdat de ketterij waar over geschreven wordt iets is uit de tweede eeuw en niet een eerste eeuws verschijnsel is. Maar zij die vertrouwen op het schrijverschap van Paulus twisten niet over een volledig opgeblazen gnosticisme zoals we die in de tweede eeuw vinden. Alles wat er nodig is, is een beginnende vorm van gnosticisme die er redelijkerwijs en waarschijnlijk al in de tijd van Paulus was.4

Ten Derde, andere bezwaren gaan over het feit dat sommige theologische termen van Paulus zoals “rechtvaardigheid” en “wet” niet in de brief staan en andere theologische nadrukken zoals de hoge Christologie in 1:15-20 er wel instaan. Maar deze argumenten bewijzen teveel, want als de brief vals zou zijn dan zouden we verwachten dat de vervalser meer van de theologische categorieën van Paulus zou gebruiken uit angst dat hij anders gelijk afgewezen zou worden. Verder, als 1:15-20 een vroeg Christelijke lofzang is dan is er niets in de theologie van Paulus die hem er van zou weerhouden het te onderschrijven en te gebruiken in de strijd tegen de ketterij in Kolosse (zie ook 1Kor 8:6; 2 Kor 4:4; Fil 2:6.)

Ten slotte, er is niets in Kolossenzen wat Paulus niet geschreven kan hebben en wat in tegenspraak is met de bewering in de brief dat hij daadwerkelijk de schrijver is. De overeenkomsten en linken naar Efeze suggereren geen afhankelijkheid van elkaar, maar eerder dat dezelfde schrijver naar twee verschillende groepen schreef onder gelijke omstandigheden. En de sterke aanwijzingen naar Filemon, wat zeker een brief van Paulus is, bevestigen ook de echtheid van Kolossenzen.5

Herkomst

De brief laar duidelijk zien dat Paulus in de gevangenis zat (4:10,18), drie verschillende locaties worden genoemd: (1) Caesarea, (2) Rome, en (3) Efeze. De minst waarschijnlijke is Caesarea, omdat (1) het onwaarschijnlijk is dat Onesimus naar deze stad zou zijn gevlucht om zich te verschuilen, (2) Paulus in Kolosse een snelle vrijlating verwacht, maar toen hij gevangen genomen was in Caesarea in Handelingen verwachtte hij een voorgeleide bij Caesar en geen onmiddellijke vrijlating,, en (3) als het geschreven zou zijn in Caesarea, dan is het moeilijk een reden te bedenken waarom hij niets zegt over Filippus bij wie hij verbleef voor hij gearresteerd werd (zie ook Han 21:8) en (4) Paulus had niet zoveel vrijheid om te prediken in Caesarea als hij in Rome had. Dit feit is erg belangrijk als we ons realiseren dat Onesimus tot geloof kwam door een van Paulus preken (Phmn 10).

Sommige leerlingen hebben gesuggereerd dat Efeze de plaats is, omdat het dicht bij Kolosse ligt (ca. 160 km.) En maken het daarom aannemelijk dat Paulus vraagt om een logeerkamer klaar te maken voor zijn vrijlating (filem 22). Inderdaad, Efeze is de plaats gesuggereerd door het Marconitische voorwoord op de brief, maar er is ander vroeg kerks bewijs voor de suggestie dat Paulus in Rome was. Verder, Efeze is veel dichterbij voor Onesimus om naar te vluchten (en voor Epafras en anderen om naartoe te reizen) als naar Rome (ca. 1900 km). Maar velen hebben ermee ingestemd dat Onesimus naar Rome zou zijn gevlucht waar hij zich makkelijker zou kunnen hebben verstopt tussen het volk. En men kan zich afvragen waarom Paulus een brief zou schrijven naar de kerk van de stad waar hij gevangen zat. Verder, Paulus noemt Marcus (4:10) en Lucas (4:14) als zijnde bij hem, als hij de brief schrijft, alhoewel in de “wij” secties in Handelingen, Lucas de gemeente in Efeze er niet bij haalt. Ook wordt er geen expliciete melding gemaakt van een gevangenschap in Efeze in Handelingen, alhoewel de gemeente van Paulus daar zeker turbulente tijden had.6 In tegenstelling wordt er in Handelingen wel melding gemaakt van de gemeenschap van Paulus in Rome en op die manier is er wat voor te zeggen met de details uit Kolossenzen, daarbij de vrijheid om zich te bewegen en om het Woord te verkondingen genomen. Alhoewel Rome en Efeze allebei geschikte opties zijn voor de herkomst van Kolossenzen, lijkt Rome toch een iets betere optie. Het is de laatste van de twee chronologisch gezien en geeft daardoor tijd voor sommige ontwikkelingen in gedachten zoals we vinden in Kolossenzen, en afgezien daarvan, ook voor 1 Korinthiërs en Romeinen. Als het Romeinse gevangenschap klopt, dan was de brief waarschijnlijk rond 59-61 AD. Als de gevangenschap in Efeze klopt, dan zal het een aantal jaren eerder geschreven zijn, in het midden van de jaren 50 AD.

De Kerk van Kolosse en zijn Ketterij

De kosmopolitische stad Kolosse (met Frygischen, Grieken, Joden, etc) lag ongeveer 160 km landinwaarts van de haven van Efeze. Alhoewel het eens een grote en welvarende stad was, hebben veranderingen in de wegen structuur geleid tot verval tot de tijd van Paulus, toen was het nog maar een “kleine stad”. Ook is het ongeveer 16 km. van Laodicea en 20 km. van Hierapolis bij de Lycus rivier (zie ook 2:1 ; 4:13).7

De kerk in Kolosse was waarschijnlijk opgericht door iemand uit Kolosse, namelijk Epafras (1:7 ; 4:12) die zelf, ten minste voor een periode, een gevangene met Paulus was in Rome (filem 23). Epafras was waarschijnlijk naar Rome gereisd om Paulus te informeren over de kerk in Kolosse, vooral over de ontwikkelende ketterij binnen de kerk (1:8).

De ketterij in Kolosse wordt niet uitgebreid beschreven in de brief, wat het moeilijk maakt om zeker te stellen wat alle leerstellingen zijn en de precieze nadruk die gelegd wordt op verschillende aspecten hiervan. Hierom en om andere redenen zeggen sommige leerlingen dat er niet één bijzondere en te identificeren ketterij in Kolosse was. Volgens deze leerlingen was alles waar Paulus tegen vocht, als voorbeeld, bijgeloof en een bureaucratische tendens binnen de kerk. Maar er zijn genoeg duidelijke bewijzen van een beweging van ketters om aan te tonen dat het wel te identificeren was zoals door de apostel en benoemd als een “lege en misleidende filosofie” (2:8). We mogen aannemen, daarom, dat het omschrijfbare kenmerken bezat en een duidelijk waarneembare—alhoewel nog erg in de kinderschoenen—intellectuele omvang.

Maar wat zijn sommige van de karakteristieken van deze valse en ongetwijfeld syncretistische filosofie? Ten eerste is er een Joods element, maar niet van het soort dat Paulus tegenkwam in de kerk van Galatië (zie ook Galaten en Hand 15). Hier zien we voedsel wetten, en ook de plechtigheid van festivals en de nieuwe maan Sabbatten (2:16-17). Ten tweede is er waarschijnlijk een heidens element aan te wijzen bij het aanbidden van engelen ( aannemend dat 2:18 een beschrijvende verklaring is) en de vraag naar strenge ascetisme (2:18-19). Dit tweede element heeft waarschijnlijk betrekking tot wat zich later ontwikkelde tot een volledig opgeblazen Gnosticisme (2e eeuw). Gnosticistische gedachten worden gekarakteriseerd door diverse grondstellingen, sommige van zeer ernstige aard: (1) het idee dat het stoffelijke slecht is; (2) er is een verloop van wezens die afkomstig zijn van een pure en onkenbare God (Plotinus?), En (3) redding komt door wetenschap en initiatieven van een persoon in een groep elite. Reagerend op deze verkeerde ideeën concentreerde Paulus zich op de overeenkomstige waarheden over de heiligheid en menselijkheid van Christus ( iets wat niet acceptabel is in welke Gnostistische gedachte dan ook) zowel als zijn verhevenheid over elke zogenaamde “regeerder, leiders en krachten” (bv. De afkomsten). Dit betekent dat voor hen die Christus behouden hadden maar desondanks zichzelf gesitueerd hebben tussen de “eeuwigen” of “uitvloeisels”als primus inter pares zij waren fout. Voor Paulus, heeft Christus geen gelijke, maar is de Heer van alles en over alles. Verder, Paulus onderstreept de spirituele/ ethische aspecten van het Woord en hoe de Kolossenzen “lopen” zoals het hoort in Christus (2:6-7 ; 3:1-17). Zo maakt hij een pad tussen de gelijkende fouten van het libertinisme en overdreven naleven van de wet. Ook maakt de apostel het duidelijk dat de boodschap van het Woord niet alleen is bedoeld voor de elite, maar voor iedereen in deze schepping (1:23).8

Leer Hoofdlijnen

1A. Introductie (1:1-2)

1B. Begroeting (1:1-2)

1C. De Zenders (1:1)

2C. De Ontvangers (1:2a)

3C. De Begroeting (1:2b)

2B. Dankzegging en Gebed van Paulus voor de Kolossenzen (1:3-14)

1C. De Dankzegging van Paulus voor de Kolossenzen (1:3-8)

1D. De gepaste Dankzegging (1:3)

2D. De Reden: Het Ontvangst van de Kolossenzen van het Woord (1:4-6)

1E. Gekenmerkt door Geloof dat Ontspringt uit Hoop (1:4a)

2E. Gekenmerkt door Liefde dat Ontspringt uit Hoop (1:4b-5)

3D. Samenvatting: De Toenemende Invloed van het Woord (1:6)

1E. In de Hele Wereld (1:6a)

2E. Onder de Kolossenzen (1:6b-8)

1F. Zij Begrepen de Gratie van God in Heel zijn Waarheid (1:6b)

2F. Epafras Leerde Hen de Waarheid (1:7)

3F. Epafras Vertelde Paulus over de Kolossenzen (1:8)

2C. Paulus’ Gebed voor de Kolossenzen (1:9-14)

1D. Het Gebed Zelf: Geestelijke Wijsheid en Begrip (1:9)

2D. Het Doel van het Gebed: Het Leven leven Waard aan de Heer (1:10-12)

1E. Vrucht Dragen in Alle Goede Werken (1:10a)

2E. Groeien in de Kennis van de Heer (1:10b)

3E. Gesterkt Worden met Alle Kracht (1:11)

4E. Vreugdevol Dankzeggen (1:12)

3D. De Grondslag van het Gebed: Het Bevrijdende Werk van God (1:13-14)

1E. Bevrijding uit het Rijk der Duisternis (1:13a)

2E. Het Brengen van Ons in het Koninkrijk van Zijn Zoon: Verlossing (1:13b-14)

IIA. De Verhevenheid van Christus (1:15-2:23)

1B. De Verhevenheid van Christus Over Alle Dingen (1:15-20)

1C. Hij is God (1:15a)

2C. Hij is de erfgenaam (1:15b)

3C. Hij is de Maker (1:16)

4C. Hij is de Behouder (1:17)

5C. Hij is het Hoofd van de Kerk (1:18a)

6C. Hij is de Eerstgeborene uit de Dood (1:18b)

7C. Hij is Verheven in Alle Dingen (1:18c)

8C. Hij is een Goddelijk-Menselijke Verlosser (1:19-20)

1D. De Goddelijke Volheid Woont in Hem (1:19)

2D. Hij verlost Alle Dingen door het Kruis (1:20)

2B. De Verhevenheid van het Woord van Christus: Een Aanmaning (1:21-23)

1C. We waren Gescheiden en Vijanden van God (1:21)

2C. Er is nu Vrede Gesloten door het Woord (1:22)

1D. De Betekenis van Vrede Sluiten (1:22a)

2D. Het Doel van Vrede Sluiten (1:22b)

3D. De Voorwaarde van Vrede Sluiten (1:23a)

4D. Het Universele Offer van Vrede Sluiten (1:23b)

3B. De Verhevenheid van het Dienen van Christus (1:24-2:5)

1C. Het Voorrecht van Paulus in de Gemeente (1:24-27)

1D. Te Lijden voor Christus (1:24)

2D. Het Woord te Presenteren van de Volheid van God (1:25-27)

1E. Het was Zijn Opdracht (1:25)

2E. Het Betrof ook Goddelijke Openbaringen bij Niet Joodse Heiligen (1:26-27)

1F. Betreffende Waarheid Niet Eerder Onthult (1:26)

2F. Betreffende Waarheid over het Mysterie: “Christus in U” (1:27)

2C. Het Ultieme Doel van Paulus en Kracht voor de Gemeente (1:28-29)

1D. Het Doel: Iedereen Perfect in Christus te tonen (1:28)

2D. De Kracht: Al “Zijn” Energie (1:29)

3C. Het Directe Doel van Paulus in Zijn Kolossenze Gemeente (2:1-5)

1D. Het Bevorderen van Eenheid en Aanmoediging (2:1-2a)

2D. Het Voorkomen van Illusie (2:2b-5)

3B. De Verhevenheid van Christus Boven Lege Tradities (2:6-23)

1C. Het Bevel om te Lopen in Christus (2:6-7)

1D. De Context: Het Ontvangen van Christus als Heer (2:6a)

2D. Het Bevel: Wandelen met Hem (2:6b-7)

2C. De Verhevenheid van de Bevrijding van Christus Boven Lege Filosofie: Een Waarschuwing (2:8-15)

1D. Filosofie Niet Volgens Christus (1:8)

2D. Bevrijding Volgens Christus (1:9-15)

1E. Algemene Verklaring: Belichaming, Volledigheid en Autoriteit (1:9)

2E. Nadrukkelijke Verklaring: Besnijdenis en Doop (1:10-15)

1F. De Analogie van Besnijdenis (1:10)

2F. De Analogie van Doop (1:11-14)

3F. De Overwinning op Vijanden (1:15)

3C. De Verhevenheid van Christelijke Geestelijkheid: Een uitdaging (2:16-19)

4C. De Verhevenheid van Christus over door Mensen gemaakte Religies: Inconsequentie (2:20-23)

IIIA. De Verhevenheid over Leven met Christus als Middelpunt (3:1-4:6)

1B. Zijn Focus en Aard (3:1-17)

1C. Het Begint met een Focus op Christus (3:1-5)

2C. Het houd in het Afgooien van de Bejaarde Man (3:6-11)

3C. Het houd in het Opzetten van de Jonge Man (3:12-17)

2B. Het heeft Effect op Elke Relatie (3:18-4:6)

1C. De Huwelijkse Relatie (3:18-19)

1D. Het Bevel voor Echtgenotes (Vrouwen) (3:18)

2D. Het Bevel voor Echtgenoten (Mannen) (3:19)

2C. De Familie Relatie (3:20-21)

1D. Het Bevel voor Kinderen (3:20)

2D. Het Bevel voor Vaders (3:21)

3C. De Slaaf-Meester Relatie (3:22)

1D. Waarschuwing voor Slaven (3:22-25)

1E. Het Bevel (3:22-23)

2E. De Beweegredenen voor het Bevel (3:24)

3E. De Waarschuwing met het Bevel (3:25)

2D. Waarschuwing voor Meesters (4:1)

3B. Zijn Evangelistische Aard (4:2-6)

1C. Bidden voor de Vooruitgang van het Woord (4:2-4)

2C. Wijs Leven voor Niet-Christenen (4:5-6)

IVA. De Plannen van Paulus en Laatste Groeten (4:7-18)

1B. De Plannen van Paulus: Tychikus en Onesimus komen (4:7-9)

1C. Het Feit van Hun Komst (4:7)

2C. De Reden van Hun Komst (4:8-9)

2B. Slot Groeten (4:10-18)

1C. Speciale Mensen (4:10-14)

1D. Aristarchus (4:10a)

2D. Marcus, De Neef van Barnabas (Marc 4:10b)

3D. Jezus, genaamd Justus (4:11)

4D. Epafras (4:12-13)

5D. Lucas (4:14a)

6D. Demas (4:14b)

2C. Speciale Groeten (4:15)

1D. De Broeders te Laodicea (4:15a)

2D. Aan Nymfa (4:15b)

3D. Aan de Gemeente in Nymfa’s Huis (4:15c)

3C. Speciaal Verzoek (4:16)

1D. “Kolossenzen” Gelezen te Worden in Kolosse (4:16a)

2D. “Kolossenzen” Gelezen te Worden in de Kerk van Laodicea (4:16b)

3D. De Kerk in Kolosse om de Laodiceense Brief te Lezen (4:16c)

4C. Speciale Herinnering (4:17)

5C. Speciale Garantie (4:18)


1 Bv., “Woorden die maar een keer voorkomen.”

2 Dit oordeel is voornamelijk gemeten in het licht van de onbetwiste brieven van Paulus, namelijk, Romeinen, 1 en 2 Korinthiërs en Galaten. Er zijn een ongebruikelijk aantal constructies met de 2e naamval (1:27; 2:11, 19; 3:24).

3 Zie D. A. Carson, Douglas J. Moo, en Leon Morris, An Introduction to the New Testament (Grand Rapids: Zondervan, 1992), 332, n. 5.

4 Donald Guthrie, New Testament Introduction, rev. ed. (Downers Grove, IL: InterVarsity, 1990), 575.

5 Guthrie, Introduction, 576-77.

6 Zie ook Peter T. O’Brien, Colossians, Philemon, Word Biblical Commentary, ed. David A. Hubbard en Glenn W. Barker, vol. 44 (Dallas: Word, 1982), in loc. electronic version.

7 Zie P. T. O’Brien, “Colossians, Letter to the,” in Dictionary of Paul and His Letters, ed. Gerald F. Hawthorne, Ralph P. Martin, en Daniel G. Reid (Downers Grove, IL: InterVarsity, 1993), 147.

8 Curtis Vaughn, “Colossians,” in The Expositor’s Bible Commentary, ed. Frank E. Gaebelein, vol. 11 (Grand Rapids: Zondervan, 1978), 166-68.

Related Topics: Introductions, Arguments, Outlines