Where the world comes to study the Bible

"Ik ben altijd nabij" Door Dik en Dun

Related Media

translated by Michael Luyckx.

God is almachtig en alwetend. Maar heb je ooit recent nagedacht over zijn relatie tot de ruimte? Niet noodzakelijk de “buitenaardse ruimte in het heelal”, maar zijn relatie tot alles in de wereld? De God die jij aanbidt is alomtegenwoordig. Jeremia beschreef dit zeer scherpzinnig: “Zou zich iemand in verborgene plaatsen kunnen verbergen, dat Ik hem niet zou zien? spreekt de HEERE; vervul Ik niet den hemel en de aarde? spreekt de HEERE.” (Jer. 23:24)

Dit betekent dat waar we ook zijn, God daar ook is. Dit betekent dat God op dit ogenblik dichtbij is en als je Christen bent, is hij ook met jou, op een zeer speciale manier. Met zijn hele Wezen en in onverdeelde aandacht. En toch, op hetzelfde moment, en op dezelfde wijze, is Hij met mij en met al onze broeders en zusters over de hele wereld. Dit creëert een intieme relatie tussen zijn oneindige kennis en zijn aanwezigheid. De psalmdichter wist dit en stond in verwondering voor Gods wonderbaarlijke natuur:

In Psalm 139:1-6 is de psalmdichter zich er welbewust van dat God alles over hem weet:

139:1 Een psalm van David, voor den opperzangmeester. HEERE! Gij doorgrondt en kent mij.

2 Gij weet mijn zitten en mijn opstaan; Gij verstaat van verre mijn gedachten.

3 Gij omringt mijn gaan en mijn liggen; en Gij zijt al mijn wegen gewend.

4 Als er nog geen woord op mijn tong is, zie, HEERE! Gij weet het alles.

5 Gij bezet mij van achteren en van voren, en Gij zet Uw hand op mij.

6 De kennis is mij te wonderbaar, zij is hoog, ik kan er niet bij.

Dan relateert hij Gods intieme kennis over ons met zijn aanwezigheid onder ons

7 Waar zou ik heengaan voor Uw Geest en waar zou ik heenvlieden voor Uw aangezicht?

8 Zo ik opvoer ten hemel, Gij zijt daar; of bedde ik mij in de hel, zie, Gij zijt daar.

9 Nam ik vleugelen des dageraads, woonde ik aan het uiterste der zee;

10 Ook daar zou Uw hand mij geleiden, en Uw rechterhand zou mij houden.

11 Indien ik zeide: De duisternis zal mij immers bedekken; dan is de nacht een licht om mij.

12 Ook verduistert de duisternis voor U niet; maar de nacht licht als de dag; de duisternis is als het licht.

Daarna verbindt hij Gods kennis en aanwezigheid met zijn heerschappij in de creatie. God is diegene die ons gecreëerd heeft en het doel van ons leven nauwkeurig bepaald heeft (zie ook Hand. 17:24-28)

13 Want Gij bezit mijn nieren; Gij hebt mij in mijner moeders buik bedekt.

14 Ik loof U, omdat ik op een heel vreselijke wijze wonderbaarlijk gemaakt ben; wonderlijk zijn Uw werken! ook weet het mijn ziel zeer wel.

15 Mijn gebeente was voor U niet verholen, als ik in het verborgene gemaakt ben, en als een borduursel gewrocht ben, in de nederste delen der aarde.

16 Uw ogen hebben mijn ongevormden klomp gezien; en al deze dingen waren in Uw boek geschreven, de dagen als zij geformeerd zouden worden, toen nog geen van die was. (Cfr. Jer. 1:5).

Het is dan ook niet verwonderlijk dat de psalmdichter eindigt met het doordringende besef over zijn eigen beperkingen en “schepsel”-zijn in tegenstelling tot Gods oneindige kennis, aanwezigheid en heerschappij.

17 Daarom, hoe kostelijk zijn mij, o God, Uw gedachten! hoe machtig veel zijn haar sommen!

18 Zoude ik ze tellen? Harer is meer, dan des zands; word ik wakker, zo ben ik nog bij U.

Het uiteindelijke resultaat is dat we de verwezenlijking van Gods koninkrijk niet alleen op aarde maar ook in ons eigen leven, zouden moeten verlangen

19 O God! dat Gij den goddeloze ombracht! en gij, mannen des bloeds, wijkt van mij!

20 Die van U schandelijk spreken, en Uw vijanden ijdellijk verheffen.

21 Zou ik niet haten HEERE! die U haten? en verdriet hebben in degenen, die tegen U opstaan?

22 Ik haat hen met volkomen haat, tot vijanden zijn zij mij.

23 Doorgrond mij, o God! en ken mijn hart; beproef mij, en ken mijn gedachten.

24 En zie, of bij mij een schadelijke weg zij; en leid mij op den eeuwigen weg.

Wat verschil maakt dit nu uit? Laat ons daar even over nadenken. Gods alomtegenwoordigheid betekent dat wanneer we op onze uiteindelijke missie vertrekken om van alle naties leerlingen te maken, Jezus steeds bij ons is. Hij vertelde zijn leerlingen dat God hem alle macht zowel op aarde als in de hemel meegegeven had, en dat zij erop uit moesten trekken om zijn boodschap van geloof en gehoorzaamheid aan alle mensen ter wereld te verkondigen. Tenslotte voegde Hij eraan toe: “En ziet, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld.” (Mat. 28:19-20; cf. Gen. 28:15).

Zijn alomtegenwoordigheid betekent ook dat wanneer mensen zich tot Christus bekeren en toch problemen in bepaald relaties ondervinden, Christenen samen kunnen komen om deze problemen aan te pakken, met de volle wetenschap dat Christus aanwezig is om hen bij te staan. In Matteus 18:20 zegt hij – in de context van de kerkgemeenschappelijke discipline - dat “waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in het midden van hen.”. De waarheid is dus dat Jezus de Christenen bijstaat of ze nu alleen zijn of met honderd, en Hij wil dat we beseffen dat we op Zijn aanwezigheid kunnen rekenen in de moeilijke tijden van ons geloof. We kunnen op zijn aanwezigheid rekenen wanneer we een zondige broeder moeten terechtwijzen, onze echtgeno(o)t(e) moeten confronteren, redetwisten met een dwalende tiener, een werknemer moeten ontslaan, de terechte verwachtingen van onze kinderen tegemoetkomen, moeilijkheden op het werk trotseren, met lastige klanten afrekenen, enzovoort.

Daarom is de waarheid van Gods alomtegenwoordigheid goed nieuws. Het verzekert er ons immers van dat ongeacht tot wat God ons oproept of wat Hij ook in ons leven toelaat, Hij ons bijstaat. Hij zal ons nooit verlaten of in de steek laten.

Related Topics: Devotionals